“At Eternity’s Gate”: een pittoreske wandeling door psychose, natuur en ecocinema

Leestijd 8-10 minuten

Julian Schnabels At Eternity’s Gate (2018) met Willem Dafoe’s incarnatie van een van ’s werelds meest roemrijke schilders, Vincent Van Gogh, heeft het karakter van 電影, of ‘dian ying’. Dit Chinese woord kan worden vertaald als film of cinema, maar in dit geval is het een stuk interessanter om terug te keren naar de letterlijke betekenis van dat woord, namelijk ‘elektrische schaduw’; zo wordt ‘dian ying’ opeens een fantastische metafoor voor een al even elektrische portrettering van de laatste twee jaar van Van Goghs leven (1888-1890), een kunstenaar getormenteerd door zijn eigen schaduwen.

Gefilmd op locatie in het zuiden van Frankrijk, in Arles en Auvers-sur-Oise, schetst Schnabel een beeld van de kunstenaar die worstelt met zijn demonen; hier vrij letterlijk te nemen, gezien Van Gogh beweerde dat hij achtervolgd werd door een kwade geest, en die geest ook meende te zien. De beelden van de Franse natuur zijn even schilderachtig en verwonderend als het eigen werk van de schilder, en tonen de intense impact die de natuur kan hebben op een individu. Vincent geeft aan dat hij de natuur nodig heeft om te schilderen, hij put kracht en energie uit zijn omgeving, maar schildert niet wat hij ziet: hij ziet namelijk een diepere werkelijkheid in de natuur die zich voor hem uitstrekt, een beeld dat volgens hem dichter ligt bij de échte realiteit (wat dat ook mag zijn), een beeld dat anderen niet kunnen waarnemen. Van Gogh schilderde om dat beeld van die onbekende werkelijkheid zichtbaar te maken voor zij die dit niet zelf kunnen zien. Hoewel dit mogelijks de vraag oproept wat we als werkelijkheid moeten beschouwen—zijn vriend en kunstenaar Paul Gauguin (Oscar Isaac) spreekt van een zeer fenomenologische benadering in zijn gesprekken met Van Gogh—is dat eigenlijk een vraag naast de kwestie. Van Gogh ervaart de natuur namelijk vanuit een mogelijks schizofrene, psychose en beschrijft een ontologie die losstaat van noties over de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet.

2

Gilles Deleuze en Félix Guattari schreven in 1972 een nog steeds omstreden werk over schizofrenie, L’anti-Œdipe: Capitalisme et schizophrénie. Ze beschrijven daarin hoe een (mogelijks drugs-geïnduceerde) schizofrene aanval ertoe kan leiden dat de schizofrene patiënt een fundamentelere relatie aangaat met de natuur dan een ‘mentaal gezond’ persoon. Deleuze en Guattari beschrijven in hun werk een aanval die gebaseerd is op een getuigenis van de Lets-Russische schrijver Jakob Michael Reinhold Lenz, een gekende schizofrene patiënt. Die beschrijving is bijna een woord-voor-woord herhaling van wat Van Gogh beweert te ervaren als hij in de natuur schildert:

Everything is a machine. Celestial Machines, the stars or rainbows in the sky, alpine machines – all of them connected to those of his body. […]  There is no such thing as either man or nature now, only a process that produces the one within the other and couples the machines together. […] all of species life: the self and the non-self, outside and inside, no longer have any meaning whatsoever. (L’anti-Œdipe 20)

Net als Lenz oppert Van Gogh dat hij in zijn schilderproces een soort vereenzelviging ondergaat met de natuur, waarbij hij zijn zelf, zijn binnen en buitenste, en de arbitraire afstand tussen mens en natuur verliest. Met deze film probeert Schnabel, en met verdedigbaar succes, dit proces weer te geven, waarbij we door Van Goghs ogen de natuur ervaren terwijl hij wandelt door de Provençaalse velden met zijn schildersezel. Op die manier plaatst de regisseur de focus niet op de persoon, maar op de ervaring, en krijgen we shots waarin bijvoorbeeld de schilders benen soms lijken te vergroeien met het hoge gras die ze doorkruisen. Ook krijgen we soms visueel en auditief erg overladen shots, die verwarring, angst en ‘unheimlichkeit’ opwekken.

We moeten Van Goghs schizofrene werkelijkheid niet begrijpen—in hoeverre dat al zou kunnen—om de ervaring te kunnen delen. In de shots die gefilmd werden uit zijn gezichtsveld maken wij, de toeschouwer, net als de cinematische machine, evenveel deel uit van de natuur als hijzelf. Het brengt een wat ontluisterend gevoel met zich mee, want wanneer was de laatste keer dat wij, net zoals Van Gogh, in complete verstomming en bewondering stonden voor de natuur? De schilder leek niet om te kunnen met het drukke, overstimulerende stadsleven en trok daarom het zuiden van Frankrijk in, om zijn geest te voeden aan de natuur die daar nog triomfantelijk de mantel droeg. De vraag rijst of we ons vandaag in schizofreen delirium moeten bevinden om diezelfde betrokkenheid aan de dag te leggen; of liever, wat is er nodig om onze ogen te openen voor de ecologische catastrofe te zien die zich voor ons ontplooit? Meer dan ooit is de kloof tussen mens en natuur aan het wegvallen, met hevige steun van veel hedendaagse continentale filosofen, maar tegelijkertijd is die kloof nooit breder geweest dan ooit tevoren. Er is wel degelijk een besef dat het klimaat en de natuur vergankelijk zijn en dat we er onherroepelijke schade hebben aan toegebracht, maar de retoriek van ‘Climate Change’ werkt vaak averechts, nét door de inherente complexiteit van het fenomeen.

‘Filosoof van het Antropoceen’ Timothy Morton wijt dit aan de starre hardnekkigheid waarmee de maatschappij lijkt vast te houden aan het romantische ideaal van de natuur versus de stad; de natuur is iets exotisch, waar we ontsnappen aan de drukte van de stad, een haast mystieke plek. Door die dichotomie tussen stad en natuur te creëren nemen we geen verantwoordelijkheid voor iets waar we essentieel deel van uitmaken. Hij gaat zo ver in die redenering dat hij beweert dat zoiets als ‘de natuur’ niet bestaat. Ook Slavoj Žižek is die mening toegedaan: hij beschrijft hoe de natuur altijd een stabiel aspect van het leven is geweest, maar hoe dit aspect sinds het aanbreken van ecologische crisissen volledig uit elkaar aan het vallen is. Net zoals Deleuze en Guattari erkent hij dat het Antropoceen, of letterlijk ‘de tijd van de mens’, existentiële crisissen over de dichotomieën tussen natuur en cultuur heeft geëvoceerd. Hij beargumenteert dat ecologische rampen, in dit opzicht, onze blik radicaal zouden moeten bijsturen: “What is at stake is our most unquestionable presuppositions, the very horizon of our meaning, our everyday understanding of ‘nature’ as a regular, rhythmic process” (Looking Awry 34).

Hij stelt echter vast dat dit niet het geval is, of toch niet buiten filosofische kringen om. Morton nuanceert dit door te zeggen dat dit ook extreem moeilijk is, omdat de natuur, sinds het aanbreken van menselijk geïnduceerde klimaatsopwarming, zich gedraagt als een ‘hyperobject’-een object van danig grote ruimtelijke en temporele omvang, dat het niet te bevatten is in één enkel fenomeen. Het is misschien net die poging om de natuur in zijn geheel te bevatten, een filosofische en ontologische onmogelijkheid volgens Morton, die het schizofrene delirium bij Van Gogh losweekt; het willen bevatten van het onbevattelijke.

1

Schnabels filmisch portret van Van Gogh doet weliswaar heel romantisch aan, in een tijd waar romantiek niet meer aan de orde is: als we Vincent een kleine rotswand zien beklimmen, zich bovenaan neer vleit tegen de berg, wachtend op de zonsondergang, huilend om de schoonheid van de natuur, dan kan dit niet verder afstaan van ons westerse leven. De romantiek die hier geëvoceerd wordt, vooral in de wandelingen die we delen met Van Gogh, doen ons op z’n minst wel heel even reflecteren over onze eigen relatie tot de natuur—in die zin slaat Morton misschien de bal wel mis wanneer hij de romantische esthetiek als niet langer houdbaar beschouwt. De met momenten feeërieke en schilderachtige shots van de zuid-Franse natuur houden de realisatie in zich dat er wel degelijk iets op het spel staat, zeker als we niet willen dat die beelden vervallen tot een herinnering aan een fraai verleden. Want zo voelen ze eigenlijk wel al aan, als beelden van vergane glorie, waarbij de kijker zich kan afvragen of de natuur die Schnabel weergeeft wel degelijk ergens nog bestaat en kan ervaren worden met de intensiteit die Van Gogh doet. Het is belangrijk om hier te benadrukken dat Van Goghs mentale ziekte op zo’n manier wordt afgebeeld dat we geen medelijden maar eerder sympathie ervaren. Van Gogh mag dan wel zeer aanhankelijk en labiel overkomen, maar wanneer hij daarna aan het schilderen slaat, kunnen we onmogelijk droevig zijn; de intensiteit van de meesterlijke schilderwerken die op het scherm tot leven worden gebracht zijn daarvoor té subliem weergegeven. We leven mee met Vincents soms extreem intense ervaringen en benaderen zo, collectief, een Deleuze en Guattariaans-achtige schizofrene psychose – we krijgen een glimp te zien van een soort diepere realiteit. En misschien kunnen we zo’n soortgelijk perspectief af en toe wel gebruiken om onze band en verantwoordelijkheid ten opzichte van de natuur terug op te nemen.

Dit gezegd zijnde is Schnabels biopic een onomstotelijk en fantastisch staaltje ecocinema in de puurste vorm. Zoals wel vaker in de filmkritiek wordt ook in het zoeken en evaluaren van ecocinema er al te vaak eng gefocust op wat er zichtbaar is, maar niet op wat er net niet zichtbaar is – de ‘obliquity’ die wordt opgeroepen door het verbeelde. Het gaat erom dat we durven verder kijken, tussen de lijnen lezen, betekenis halen uit dat wat er niet is. De boodschap is dus een elektrische schaduw hier, tevens gevoed door de elektrische manie van Van Gogh die Dafoe zo geweldig weet te kanaliseren in zijn opvoering; de ‘dain ying’. At Eternity’s Gate mag dan misschien niet de meest gevierde film van dit jaar worden, maar het slaagt op z’n minst om een reflectie los te weken waar veel films die wel expliciet worstelen met eenzelfde thematieken alleen maar van kunnen (schizofreen) dromen.

Geschreven door Reuben Martens

 

Referenties:

  • Deleuze, Gilles, and Felix Guattari. Anti-Oedipus: Capitalism and Schizophrenia. Translated by Robert Hurley, et al., University of Minnesota, 2000.
  • Morton, Timothy. Hyperobjects: Philosophy and Ecology after the End of the World. University of Minnesota Press, 2013. Posthumanities, edited by Cary Wolfe.
  • Schnabel, Julian, director. At Eternity’s Gate. Performance by Willem Dafoe, et al., CBS Films, 16 November 2018. imdb.com/title/tt6938828/.
  • Žižek, Slavoj. Looking Awry: An Introduction to Jacques Lacan through Popular Culture. The MIT Press, 1991.