Venetië en Cinema en Alles daartussenin

Leestijd 5-7 minuten

Met mijn voeten bungelend over de richel van het eiland Lido kijk ik uit over de oceaan, de ondergaande zon en het moedereiland, een filmische werkelijkheid die zich steeds opnieuw aan mij ontvouwt door de filterende blik van de laatst bekeken film op het Filmfestival van Venetië, de filmische kroon aller magische filmsteden, waar kolkend water elke baksteen omvaamt en een momentane opflakkering van verstrooidheid volstaat om zonder pardon een van de intieme grachten in te kletteren, wateren die per deinende watertaxi getrotseerd dienen, midscheeps tussen vomatie en contemplatie langs een door de wind gedragen nevelgordijn en de feeërieke buitengevels van La Serenissima, welhaast holografische maquettes, groteske Baz Luhrmanncreaties, een schijnbaar niet aan de werkelijkheid deelachtig filmdecor uit het klassieke Hollywood dat op elk moment één der Hepburns ten tonele kan baren, om uiteindelijk op Lido te belanden alwaar de veelal gepensioneerde residenten zich onder hun olijfbomen en strandhutten 355 dagen per jaar steendood zitten te vervelen vooraleer het eind augustus tot de navel van de cinematische wereld verwordt, een tiendaags festijn waarin ik door de ogen en de oren van de laatste film elke avond de weg ga tussen filmzaal en slaapplaats, een acht bedden tellende Call Me By Your Name-mansion, exclusief de torso’s, inclusief het charmant gezwets, A Room with a View op de Adriatische Zee, waar aan de overkant enkele Duitsers en Russen van hun welverdiende Istrisch-naturistische vakantie genieten, een fancy façade van glamoureus intellect waarachter slemppartijen, kameruitwisselingen, 808’s & Heartbreaks schuilgaan, omdat mensen van alle slag – bedrijfsleiders op leeftijd, puberende scouts of filmjuryleden – zich in groep en in vakantiestemming onvermijdelijk als uitgelaten laatstejaars op schoolreis gaan gedragen, een aandoenlijk onverbloemde werkelijkheid die enkel op een filmfestival zo in symbiose kan gaan met de bekoring van het witte doek, dat op een steenworp van ons oord van verderf hoogtij viert in het onbetwiste oog van de stormachtige Mostra, het Palazzo del Casino, een onberispelijk sneeuwwitte mastodont met dito plein, een glinsterend, onwezenlijk bouwwerk, een nauwelijks vleesgeworden architecturale computeranimatie, bevolkt door een merkwaardige combinatie van keurig in haute couture gestoken eminente galagasten enerzijds en anderzijds het verzamelde kruim van de filmkritiek, die niettegenstaande hun professionele devotie aan de Visuele Esthetiek ironisch genoeg weer elk gevoel voor mode en goede smaak hebben thuis gelaten ten gunste van Hawaiishorts, metalband-T-shirts en afgebleekte sporttruien, maar alle vestimentaire klassen verenigen zich reeds op de ochtend van de eerste dag in een nerveuze bedrijvigheid, goeddeels terug te voeren op de geanticipeerde aanwezigheid van posterboy der posterboys Ryan Gosling –zijn hoofdzakelijk gitzwarte, gewelddadige arthouse-oeuvre ten spijt – Grote Heiland van een leger fans, in colonnes opgesteld op handdoeken onder parasols – verrekijkers, op zijn handtekening beluste Notebooks en zelfs ladders in de aanslag – onder aanvoering van Sergeant-Majoor Tienermeisje, voor de gelegenheid gehuld in een fabelachtig T-shirt bezaaid met foto’s van Goslings gezicht, die gewillig ten prooi valt aan een mystieke, bovencinematische extase bij Goslings onwennige, vertederende grijns, zich ten volle bewust van zijn niet onaangename maar onbevattelijke bovenmenselijke heldendom, helemaal anders dan Tilda Swinton, alomgeprezen queen van de Angelsaksische arthouse, in al haar gracieuze, transcendente handelingen een schier sterfelijke verschijning, of de net binnen de grenzen van het sympathieke zelfverzekerde Matthias Schoenaerts, zoals de groten der aarde achteloos cool frunnikend aan zijn kostuum- en hemdsknopen, de arm steeds innemend op een rug van een collega, allen pionnen in de immer fascinerende wereld van glitter & glamour, ongemakkelijk en onlosmakelijk verbonden met de Zevende Kunst, die in Venetië de vierde muur binnensijpelend breekt in de tegengestelde richting, samengebald en vol vuur weer uitgespuwd op het witte doek in de gedaante van Vox Lux, de tweede langspeler van acteur Brady Corbet (schalkse deugniet in Hanekes Amerikaanse Funny Games) over de lotgevallen van een 21ste-eeuwse celebrity uit de popmuziek, die mens, persona en product als loten aan dezelfde stam draagt, aan mij vertoond in een van de schabouwelijk vormgegeven filmzalen, waar een klein deel van het scherm en een groot deel van de ondertitels steevast schuilgaan achter een achterhoofd dat meer dan eens van links naar rechts knikkebolt – het aandeel zelfverklaarde cinefielen dat lustig ligt te soezen is verbijsterend omvangrijk – betoverend van bij de adembenemende openingsscène, een beloning als nooit tevoren voor mijn als bewuste strategie vermomde gemakzuchtige gebrek aan voorbereiding, een overweldigende mokerslag die de 1700 nietsvermoedende toeschouwers tellende Pala Biennalezaal met verstomming slaat, een adequate full-speed-aanzet voor een hyperhedendaags epos, deels banale MTV-clip, deels hemelsbrede sociale satire, met Natalie Portman als bevreemdend energieke arrogante diva, uitmondend in een passend onorthodoxe finale die mij nog omgeeft terwijl ik rond waar in de Venetiaanse nacht, schaamteloos gebruik makend van de gegeerde officiële wifidata voor enkele Taylor Swiftsongs, het onvolprezen epitoom van het flinterdunne kruispunt tussen ironie, performance en oprechtheid, langs de verlaten rode loper in de statige Lidolanen die verglijden tot kaarsrechte Noord-Amerikaanse naaldboomwegen, een Vox Lux-videoclip met mij als protagonist, in niets te vergelijken met de volgende nacht, in diezelfde straten, als de Tunesische horrorfilm – ze bestaan – Dachra elke passant een kannibalistisch aura verleent, een zeebries in de struiken een bloeddorstig monster verraadt en een sympathieke schouderklop mijn nietsontziende onvermijdelijke slachtofferschap inluidt, of de op de Zilveren Leeuw The Sisters Brothers volgende geweerschoten die op de laatste avond tegen de villagevels kletsen en een moordlustige levensdrang en altruïstische goudkoorts in mij ontketenen, een warme en broederlijke liefde voor de cinema, de vriendschap, de luister, de liefde, de treurnis en alle mogelijke uitlopers van het audiovisuele bacchanaal die een rechtgeaard filmfestival overspannen, en al is Gent ondanks zijn veelheid aan waterlopen bezwaarlijk een cluster van idyllische eilanden te noemen, ook de herfstige middeleeuwenstad voorziet rijkelijk in cinematische pracht voor uw postfilmische omzwervingen, in duistere, wilde feestjes na Sorrentino’s Berlusconistrapatsen, warme kroegzetels na Van Groeningens drugstragedie of majestueuze herenhuizen na Lanthimos’ royalistische brutaliteiten.

Geschreven door Ben De Smet